Op het Joods Kindermonument in Rotterdam staan 686 namen. Het zijn de namen van kinderen tot twaalf jaar die vanaf Loods 24 zijn gedeporteerd. Geen van deze 686 kinderen heeft de Tweede Wereldoorlog overleefd.

Loods 24 aan de Stieltjesstraat in Rotterdam-Feijenoord is de plek waarvandaan joden uit de stad met de trein werden weggevoerd. Op 30 juli 1942 vertrok de eerste trein. Tot eind 1943 zijn twaalfduizend joodse Nederlanders uit Rotterdam en omgeving gedeporteerd. De houten loods was ommuurd. Een deel van die muur is nu de herdenkingsplek ‘Loods 24’. Vlakbij de muur is in 2013 het Joods Kindermonument onthuld. Al sinds die tijd ijvert Louisa Balk van het Stadsarchief Rotterdam om de namen een gezicht te geven. Ze gaat op zoek naar foto’s en meer informatie over de kinderen. 

Jacky Vieyra

Balk heeft eerder bij RTV Rijnmond verteld over Jacky Vieyra, één van de namen op het monument. Deze Jacob Henri Vieyra werd geboren in Rotterdam op 15 oktober 1936. Zijn vader Marcus Vieyra probeerde met het gezin naar Amerika te vluchten. Het gezin bestond naast Marcus en Jacky uit moeder Dora en zusje Elizabeth. Marcus Vieyra had met zijn broer Anthony een goedlopend bedrijf in onder meer zuidvruchten, specerijen, koffie en thee. Al voor de Duitse inval in Nederland, probeerden de broers een inreisvisum voor Amerika te krijgen.

Visumaanvraag verbrand

Bij het bombardement op het centrum van Rotterdam op 14 mei 1940 werd het Amerikaanse consulaat getroffen. Alle aanvragen voor visa verbrandden. Marcus en Anthony Vieyra kwamen daarna in contact met voormalig medewerkers van het consulaat. Die stelden voor om tegen betaling van tienduizend gulden een geantedateerd bewijs van inschrijving te leveren. Daarmee zouden ze meer kans hebben om weg te komen uit Nederland. 

De broers betaalden vijfduizend gulden, maar het bureautje voor vervalste aanvragen werd opgerold. Geen van mensen met zo’n vals formulier heeft een inreisvisum voor Amerika gekregen. De bekende bioscoopeigenaar Abraham Tuschinski probeerde ook op deze manier tevergeefs Nederland te ontvluchten. Moeder Dora en zoon Jacky zijn op 1 februari 1944 in Auschwitz vermoord. Vader Marcus en dochter Elizabeth overleefden de Tweede Wereldoorlog.

Mathel en Ruth Lewi

Ook het gezin Lewi had al een emigratieaanvraag voor Amerika lopen. De namen van de kinderen Mathel en Ruth Lewi staan op het Joods Kindermonument. Louisa Balk van het Stadsarchief heeft ook het verhaal van de Lewi’s onderzocht. Het gezin kwam op 22 mei 1939 vanuit Duitsland naar Rotterdam. Een oom woonde al in de stad en stond borg voor hen. Op 30 maart 1940 deden ze een visumaanvraag bij het Amerikaanse consulaat. Er werd hen verteld dat het ongeveer een half jaar zou duren. Ook de papier van het gezin Lewi zijn verbrand bij het consulaat.

Westerbork

Dit gezin had geen financiële reserves. Ze bleven in Rotterdam en moesten zich in februari 1942 melden in Kamp Westerbork. De Lewi’s verbleven relatief lang in Westerbork. Vader overleed daar op 29 november 1943. De kinderen Ruth en Mathel werden samen met hun moeder op 18 januari 1944 op transport gesteld naar concenstratiekamp Therienstadt in Tsjechië. Op 12 oktober van dat jaar werden zij naar vernietigingskamp Auschwitz gebracht. Daar zijn de alle drie op 14 oktober 1944 vermoord. Ruth was toen net acht jaar oud geworden. Mathel was een paar dagen zeven.

Leo Klisser

Ook Leo Klisser was zeven jaar oud toen hij in Auschwitz werd vermoord. Zijn vader was Elkan Klisser, z’n moeder Leentje Klisser-Kok. Leo had een ouder broertje: Johan. Vader werkte bij de firma Bergel aan de Westewagenstraat in Rotterdam. Na het uitbreken van de oorlog, dook het gezin Klisser onder in Amsterdam. Daarna gingen ze naar drie verschillende adressen: vader en moeder naar Driebergen, broer Johan naar een ander adres in diezelfde plaats en Leo dook onder bij de familie Van den Berg in Gouda.

Verraden

De ouders werden in Driebergen verraden. Kort nadat zij werden opgepakt, kwam iemand bij het onderduikadres van Johan om hem te waarschuwen. Johan ging ervandoor en kwam via Doorn in Amsterdam terecht. Hij overleefde de oorlog en emigreerde naar Nieuw-Zeeland. De andere gezinsleden overleefden de oorlog niet. Leo werd ook verraden. Op bevel van de Sicherheitspolizei werd hij op 20 oktober 1943 opgepakt de fanatieke Goudse NSB’er Arie Oudenaarde. Leo Klisser werd naar het politiebureau in Gouda gebracht. Na twee nachten ging hij naar bureau Haagsche Veer in Rotterdam.

Pleeggezin

Op 26 oktober 1943 ging Leo naar een pleeggezin, het echtpaar Baars-Kok die wonen aan de Aelbrechtskade. Mevrouw Baars-Kok is joods en heeft dezelfde achternaam als Leo’s moeder, maar het is niet bekend of ze familie zijn. Waarschijnlijk moest Leo wachten op het eerstvolgende transport. Op 10 december 1943 moest hij zich melden op het politiebureau. Samen met een aantal andere kinderen zonder ouders, werd hij die dag met de trein naar Westerbork gebracht. 

Daar werd hij herenigd met zijn moeder. Op 8 februari 1944 moesten moeder en zoon met de trein mee ‘naar het Oosten’, zoals destijds werd gezegd. Op 11 februari werden ze allebei meteen na aankomst in Auschwitz vermoord.

De namen van Leo Klisser, Ruth en Mathel Lewi en Jacy Vieyra staan op het Joods Kindermonument in Rotterdam. Elk jaar op 30 juli worden bij het monument en de muur van Loods 24 de joodse slachtoffers herdacht.